Winterreise – Schubert

Poëzie: Wilhelm Müller (1794-1827)

Muziek: Franz Schubert (1797-1828)

Sytse Buwalda – alto

Steven Faber – piano

Winterreise

‘Ich werde euch einen Zyklus schauerlicher Lieder vorsingen. Ich bin begierig zu sehen, was ihr dazu sagt. Sie haben mich mehr angegriffen, als dies bei anderen der Fall war. Mir gefallen diese Lieder mehr als alle, und sie werden euch auch noch gefallen.’ (Franz Schubert)

 

‘Deze liederen hebben me meer aangegrepen dan welk andere lied dan ook,’ aldus Schubert. Hij nodigde zijn vriend Joseph Spaun uit, te komen luisteren naar de inmiddels wereldberoemde liederencyclus. ‘Daarna zong hij de hele Winterreise met een stem vol emotie. We waren verrast door de beklemmende sfeer.’

Wereldberoemd

Later keek Spaun terug op deze eerste uitvoering en concludeerde dat er ‘waarschijnlijk geen mooiere liederen’ waren dan deze. Schubert bracht ze ten gehore tijdens één van de openbare liederenavonden, waarna ze vrijwel in de vergetelheid raakten en slechts sporadisch werden uitgevoerd. In de eeuw nadat de componist de cyclus schreef, zong een zanger zo nu en dan een enkel lied. Dat de Winterreise uiteindelijk uitgroeide tot de legendarische proporties van vandaag, is voornamelijk te danken aan de opkomst van de platenspeler. Bariton Hans Duhan nam de liederencyclus in 1928 voor het eerst compleet op. Daarmee werd de muziek voor een groot publiek toegankelijk gemaakt.

Verloren liefde

Centraal in Winterreise staat een verloren liefde. De mannelijke hoofpersoon is door zijn geliefde aan de kant gezet voor een ander. Midden in de nacht verlaat hij het huis om aan een levenslange zoektocht te beginnen. Hij rouwt over het verlies en de afwijzing. Aan de hand van ontmoetingen en gebeurtenissen onderweg, geven de liederen de gemoedstoestand van de dolende wandelaar weer. De cyclus werkt toe naar het levenseinde van de eenzame man, maar wordt vlak voor zijn sterven afgebroken.

Eerste deel

Gute Nacht Als vreemde kwam ik hier; als vreemde ga ik weer weg. Het meisje sprak over liefde, de moeder zelfs over trouwen. Nu is alles veranderd. Ik ga voordat ze me verjagen. De liefde houdt van zwerven; van de een naar de ander. Ik ga zachtjes weg, verstoor niet je droom. Op de poort schrijf ik ‘Goede Nacht’, zodat je zult zien dat ik aan je heb gedacht.

Die Wetterfahne De wind speelt met het weervaantje, zoals hij ook met onze harten speelt. Waarom vraag je naar mijn verdriet? Je dochter is een rijke bruid.

 

Gefrorne Tränen Bevroren druppels vallen van mijn wangen. Is het me ontgaan dat ik huilde? Ach tranen, zijn jullie zo lauw dat je ijs wordt, als koele dauw? En toch kom je uit een hete bron, alsof je al het winterse ijs wilt laten smelten.

Erstarrung Tevergeefs zoek ik haar voetsporen in de sneeuw. Ik wil de aarde kussen en met mijn tranen door de sneeuw dringen. Waar bloeit nog iets? De bloemen zijn dood en het gras is verdord. Moet ik geen aandenken meenemen? Wanneer mijn liefdesverdriet zwijgt en mijn hart ontdooit, verdwijnt ook haar beeld….. 

Der Lindenbaum Bij de bron voor de poort staat een lindeboom. Ik droomde in zijn schaduw, kerfde lieve woorden in zijn bast. Mijn steun in vreugde en verdriet. Vannacht liep ik voorbij en hoorde zijn takken ruisen: hier vind je rust! Zelfs nu nog hoor ik het ruisen.

Wasserflut Menig traan uit mijn ogen viel in de sneeuw. Sneeuw, volg mijn tranen, en wordt een beekje. Beekje, wanneer je in de stad mijn tranen voelt gloeien, dán weet je dat je bij het huis van mijn liefste bent.

Auf dem Flusse Jij die altijd zo vrolijk ruist, wat ben je stil geworden. Je oppervlak met harde bast bedekt. Met een scherpe steen kerf ik er de naam van mijn liefste in, de dag van onze eerste groet, en de dag dat ik ging. Eromheen strengelt zich een gebroken ring. Mijn hart, herken je nu je eigen beeld in deze beek? Ga je onder die harde bast ook zo wild tekeer?

Rückblick Het brandt onder mijn voeten, al loop ik over ijs en sneeuw. Ik wil geen adem meer halen, tot de torens uit het zicht zijn verdwenen. Ik heb me zo uit de stad gehaast, dat ik me aan elke steen heb gestoten. De kraaien bekogelden me met sneeuwklonten en hagelstenen.

Hoe anders heb je me ontvangen, jij ontrouwe stad. De vogels zongen, de bomen bloeiden en de beekjes ruisten. Twee meisjesogen gloeiden. Toen was je verkocht, jonggezel! Wanneer ik terugdenk aan die dag wil ik nog één keer omkijken, teruggaan, en stil staan voor haar huis.

Irrlicht Een dwaallicht lokte mij naar een diepe spelonk. Of ik ook een uitgang vind? Ik ben gewend om rond te dwalen, en elke weg leidt toch naar het doel. Onze vreugde en ons lijden, alles is een dwalenspel. Iedere stroom leidt naar de zee, ieder lijden naar het graf.

Rast Nu ik kan rusten merk ik pas hoe moe ik ben. Mijn voeten vroegen geen rust tijdens het wandelen en mijn rug voelde de last niet. De storm blies me voort en voort. In een kolenbranderhuisje heb ik onderdak gevonden; maar mijn ledematen rusten niet uit door hun brandende wonden . Ach mijn hart, in gevecht en storm… pas nu, in de stilte, voel je hoe je gekweld wordt.

Frühlingstraum Ik droomde van kleurige bloemen, groene weiden en vogelgezang. Maar toen de hanen kraaiden en mijn oog wakker werd, was het koud en donker. De raven krasten op het dak. Wie schilderde de bloemen bij het raam? U lacht waarschijnlijk om de dromer die bloemen zag in de winter?

Ik droomde van de liefde om de liefde, van een mooi meisje, over kussen en geluk. Maar toen de hanen kraaiden was mijn hart wakker. Nu zit ik hier alleen en denk over de droom. Ik doe mijn ogen weer dicht; mijn hart slaat nog zo warm. Wanneer worden de bladeren weer groen? Wanneer houd ik mijn liefste weer in mijn armen?

Einsamkeit Zoals een droevige wolk door de heldere lucht trekt, zo trek ik mijn weg door het vrolijke leven, eenzaam en zonder groet. Ach, dat de weg zo rustig is en de wereld zo licht.     Toen er nog stormen woedden was ik niet zo ongelukkig.

pauze

 

Tweede deel

Die Post Vanaf de straat een posthoorn klinkt, wat heeft mijn hart dat het zo hoog opspringt? De post die breng voor jou geen brief, jij hebt er toch geen hartendief. Ach ja, de post komt uit de stad waar ik een allerliefste had. Ik zou graag kijken in de straat, en vragen hoe het met haar gaat, mijn hart… mijn hart!

Der greise Kopf De rijp heeft mijn haar wit gemaakt. Ik was blij, want ik dacht dat ik al een oude man was. Maar de rijp smolt, en nu gruwel ik van mijn

zwarte-haren-jeugd! Hoe ver is het nog naar de baar?

Van avondrood tot ochtendstond worden veel mensen grijs. Gelooft u het? Alleen ik, ik blijf zwart.

Die Krähe Een kraai is met mij uit de stad getrokken, steeds om mijn hoofd vliegend. Kraai, wonderlijk dier, wil je niet weggaan? Je denkt zeker dat je mijn lijf als buit zult krijgen? Nou, het zal niet lang meer duren. Jij laat me zien wat trouw tot aan het graf is.

Letzte Hoffnung Hier en daar hebben de bomen nog wat bonte blaadjes aan, en ik blijf bij zulke bomen telkens in gedachten staan. Kijk ik naar dat ene blaadje, ben ik ’t hoopvol gezind. En valt ‘t blad op de grond, dan valt mijn hoop mee. Ween ik op mijn hoop zijn graf.

Im Dorfe De honden blaffen, de kettingen ratelen en de mensen slapen, dromend van wat ze niet hebben. Morgen is alles in het niets opgelost. Ach, ze hebben hun deel gehad,  en hopen dát, wat ze niet kregen, weer op hun kussen terug te vinden. Blaf maar honden. Waarom zou ik ook slapen? Ik heb het dromen wel gehad!

Stürmische Morgen De storm heeft het hemelse grauwe kleed aan stukken gescheurd. Flarden wolken, vermengd met rode vurige vlammen jagen door de lucht . Het is een ochtend naar mijn zin. Mijn hart ziet aan de hemel zijn eigen geschilderde afbeelding. Het is niets dan de winter, koud en wild!

Täuschung Een dansend licht wijst mij de weg. Ik volg hem graag, langs heg en steg. Wie net als ik de liefde mist, volgt graag een lichtjes slimme list, die achter gruwelijk levenskruis hem wijst een warm en vriendelijk huis – waarin een vrouw, een ziel zo trouw, bedrog; geluk zonder berouw!

Der Wegweiser Waarom mijd ik toch de wegen die andere zwervers gaan? Waarom schuw ik de mensen die ik niets heb misdaan? Wijzers staan er langs de wegen, wijzend naar de steden toe, toch zwerf ik maar gelaten, rusteloos en levensmoe. Ik zie een wijzer wijzen, onverbiddelijk en stug, naar een weg die ik moet reizen, die nog niemand ging terug.

Das Wirtshaus Op een kerkhof, heeft mijn weg mij gebracht. Hier wil ik blijven, had ik zo gedacht. Is hier een kamer vrij in koele grond? Ik ben vermoeid en dodelijk verwond. O, onbarmhartige waard, wijs je me afDan moet ik weer verder met mijn trouwe  wandelstaf.

Mut! Als de sneeuw in mijn gezicht vliegt schudt ik die eraf. Als mijn hart in mijn borst spreekt, zing ik vrolijk. Ik hoor niet wat het me zegt, want ik heb geen oren en ik voel niet dat het klaagt, want klagen is voor dwazen. Ik ga vol goede moed door weer en wind.

Die Nebensonnen Ik zag drie zonnen aan de hemel staan. Ze stonden daar, alsof ze me niet wilden verlaten. Ach, jullie zijn niet mijn zonnen! Ja, pas geleden had ook ik er drie, maar de twee besten zijn nu weg. Ging de derde ook maar heen. Het donker is voor mij de weg.

Der Leiermann Daar achter het dorp staat een man met een draailier. Hij draait wat hij kan met zijn stijve vingers. Met blote voeten op het ijs wankelt hij en zijn bordje blijft leeg. Niemand wil hem horen of kijkt hem aan, de honden grommen tegen hem. Hij laat het allemaal gebeuren en draait: zijn draailier staat nooit stil. Wonderlijke oude man, zal ik met je meegaan? Wil je bij mijn liederen je draailier draaien?

Sytse Buwalda begon zijn zangstudie op vijftienjarige leeftijd bij Paul Hameleers en vervolgde zijn studie aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam. Al meer dan dertig jaar is hij wereldwijd een veelgevraagde solist en had hij het genoegen samen te mogen werken met o.a. Sir David Wilcocks, Maasaki Suzuki, Alan Curtis en Edo de Waart in festivals zoals Het Holland Festival, Festival Oude Muziek Utrecht, Settimane Musicale Senese in Sienna, Festival Arte Sacro Madrid, Lucerne Festival, Händel Festspiele Halle, Wratislawa Cantans and Festival Ancient Music Tochigi.

Het zingen van liederen is één van zijn grootste passies. Samen met luitist/gitarist David van Ooijen oogst hij veel succes met zijn bijzondere, verhalende recitals. Met gitariste Saskia Spinder en mandolinist Ferdinand Binnendijk vormt hij sinds 2012 het Asteria Ensemble. Het repertoire bestaat uit speciaal voor dit ensemble gecomponeerde werken van o.a. Leo Brouwer, Viktor Khioulaphides  en bijzondere arrangementen van o.a Schubert en Mendelssohn.

Sytse Buwalda soleerde op meer dan 130 cd’s. Zijn cd-oeuvre omvat, naast 9 solo cd’s, o.a. de Arminio (WP), Susanna, theodora & Messiah van Händel; De Stabat Mater’s van Pergolesi, Vivaldi en Tuma; Diverse Matthäus/Johannes Passionen, Bach Motetten en alle Kantates van Bach en de Krönings Messe & Requiem van Mozart. In 2015 verscheen de meervoudig bekroonde documentaire ‘Erbarme Dich’ van Ramon Gieling, waarin Sytse de titelaria zingt. In 2012 werd Sytse Buwalda bekroond met de prestigieuze Premio de Honor Cuba Disco voor zijn hele cd oeuvre.

In 2016 werd Sytse voor zijn baanbrekende, innovatie, creatieve en veelzijdige verdienste als countertenor benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Steven Faber is als correpetitor, onderzoeksbegeleider en projectmanager verbonden aan de masteropleiding van het ArtEZ-conservatorium te Zwolle. Zijn pianostudie volgde hij aan de conservatoria van Zwolle en Utrecht. Na zijn eindexamen te Utrecht (1988) studeerde hij privé verder bij de gerenommeerde liedbegeleidster Tan Crone in Amsterdam. In 2014 studeerde hij aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten af als Master of Education in Arts op een onderzoek dat hij samen met Hannie van Veldhoven deed naar de beoordelingspraktijk van eindexamens aan conservatoria.

Naast concerten met instrumentale ensembles verzorgt hij vooral recitals met zangers. In dit genre nam hij ook enkele cd’s op. Partners op het podium zijn o.a. Heleen Koele, Ineke Vlogtman, Rosanne van Sandwijk en Pieter Hendriks. Met het Midas Ensemble (Clara de Vries – sopraan, Gerard Zuyderhoff – klarinet, Steven Faber – piano) maakte hij diverse tournees naar Frankrijk, Duitsland, Singapore en Indonesië. Als begeleider van masterclasses werkte hij met o.a. Roberta Alexander, Michael Chance, Alison Pearce en Barbara Hannigan, en met de operaregisseur Pierre Audi. Regelmatig wordt Steven gevraagd voor het uitvoeren van werken voor koor waar  piano in voorkomt, zoals de Petite messe solennelle van Rossini, de Carmina Burna van Orff en de Saint Nicolas Cantata van Britten. Als dat stukken zijn voor vier handen c.q. twee piano’s is de pianiste Micha van Weers de vaste duopartner van Steven. Voor o.a. het Kameroperahuis en Schatkameropera vervulde hij opdrachten als repetitor, muzikaal leider, componist, of op het podium als deelnemer aan de theatrale handeling, al of niet zingend.

 

Contact? www.sytsebuwalda.nl en www.facebook.com/stevenfaberpiano/

Luisteraars over Schuberts Winterreise door Sytse Buwalda en Steven Faber:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Forêt de Soignes, Joseph Coosemans (1828-1904)